BONIFATIUS KLOOSTERPAD

RONDJE BUITENPOST

 

Hoe preciezer we willen weten, hoe moeizamer het is om de feiten van fictie te onderscheiden.  Over  het Praemonstratenzer- of Norbertijner klooster Mons Oliveta in Veenklooster bestaan een paar schaarse bronnen.

Zeker is dat het latere vrouwenklooster is opgezet als dubbelklooster vanuit het Norbertijner Bonifatiusklooster in Dokkum. Dat klooster was weer een dochter van een van de oudste grote kloosters in Fryslân, Mariëngaarde in Hallum van de heilige abt Frederik. De ligging op een zandkop in het getijdenlandschap tegen de veenmoerassen aan maakte Veenklooster strategisch aantrekkelijk. Lange tijd lag hier het meest noordelijke bos van Nederland. De Norbertijnen kenmerkten zich door een sobere levensstijl in dienst van het geloof en de medemens. Met de komst van Mons Oliveta ofwel Olijfberg ontstond er een dorpje op de glooiende zandkop tussen klei en veen. Al snel bleek het bezwaarlijk dat zowel monniken als nonnen op hetzelfde terrein verbleven. Een geschiedschrijver vroeg zich af ‘wat een muur vermag als de liefde binnendringt’. De mannen verkasten naar het ‘Monckehuys, behorende tot ‘t convent Feenclooster’ bij Westerburen. De adellijke jonkvrouwen bleven achter. Enkele jaren na de oprichting kregen de nonnen het tijdens de stormvloed in de Sint Barbaranacht op 14 december 1287 zwaar te verduren. De dijken van de Lauwerszee die in die jaren nog tot Burum reikten, braken door. Veel nonnen kwamen om in de golven. Drie jaar later woonden er nog slechts twintig nonnen. In 1480 schaakte de proost, Heer Egbert, vijf jonkvrouwen uit een klooster uit het Groninger Westerkwartier. Hij wenste ze niet meer goedschiks af te staan. Op last van een latere proost verlieten de nonnen in 1579 Olijfberg.

Het domein werd door de Staten van Friesland verkocht aan Sjouck van Fogelsangh. De nieuwe eigenaren gaven het landgoed de naam Fogelsangh State, richtten het dorp in rond een brink en legden een statig park aan. Een renovatie in 2002 liet zien dat een deel van de fundamenten bestond uit kloostermoppen: de grote stenen die de monniken in hun tichelwerken uit Friese klei bakten. De huidige State dateert goeddeels uit de 19e eeuw, evenals het Veenkloosterbos dat deel uitmaakt van een park in Engelse landschapsstijl van de hand van de befaamde tuinarchitect Roodbaard. De rondwandeling naar Veenklooster vanuit Buitenpost begin ik bij het treinstation. Het groene dorp van renteniers, ambtenaren, gemeentebestuurders en middenstanders ontstond in de middeleeuwen vanuit het gehucht Lutkepost. De naam verwijst naar een buitenste voetbrug waarover reizigers veilig konden oversteken bij hun gevaarlijke tocht door het moeras. Over een eiken omzoomde weg langs kampjes weiland en woonboerderijen bereik ik het wandel- en fietspad dat onder het Veenklooster Bos doorloopt langs het grensriviertje de Swadde dat de gemeenten Achtkarspelen en Kollumerland scheidde. Achtkarspelen hoorde vanouds bij het bisdom Utrecht, terwijl Kollumerland in de invloedssfeer viel van het bisdom Münster. Na Hanenburch, bereik ik door Veenklooster de Ulkeloane: een oud zandpad door het veen, in de richting van het vroegere mannenklooster onder Westergeest. De Mûntsewei (Monnikenweg) was de officiële verbindingsweg tussen het mannen- en vrouwenklooster; deze neem ik terug naar It Lytse Slot en Fogelsangh State. Vervolgens gaat het terug naar Buitenpost. Daarbij passeer ik opnieuw de kronkelende Swadde.

 

Terug