BONIFATIUS KLOOSTERPAD

FEANWÂLDEN NAAR GARYP

 

De Abdijkerk van Burgum, die ik aan het eind van deze tocht vanuit Feanwâlden aandoe, is wonderwel gespaard gebleven. Het naastgelegen Bergklooster, gewijd aan Sint-Nicolaas, was het lot minder goed gezind.

Het ging in vlammen op om te voorkomen dat de Spanjaarden zich van het kloostercomplex meester zouden maken en het als uitvalsbasis konden gebruiken in de Tachtigjarige Oorlog. Wel zijn overal in de omgeving de sporen van het noeste werk van de monniken te vinden, zoals de Soestpolder die in de late middeleeuwen is drooggelegd en tegenwoordig een fantastisch natuurgebied herbergt.

 

Met een laatste groet aan de Schierstins loop ik in Feanwâlden over de Koemarkt door de Haedstrjitte. Ik slalom door straten die als een vogelgids lezen. Toarteldostrjitte, Skriesstrjitte, Ljurkstrjitte en uiteindelijk over de Ljiploane onder het spoor door. Op de Oostersingel pak ik de draad van het Kloosterpad vanaf Claercamp naar het zuiden weer op. Het zanderige pad voert door bosjes met hazelaars, in de berm bloeien boshyacinten. De meidoorn bloeit geurig. De wilgen staan in bloei, de pluizen waaien op de wind voorbij. Pas met de komst van monniken volgde de drooglegging van het Noardermar. In 1564 was de Soestpolder een feit. De naam voert terug op Sû-ees, Sû-ier, ofwel Zuideres. Na de vervening en inpoldering kon de grond in cultuur worden gebracht voor akkerbouw en veeteelt. Het natte natuurterrein is in beheer bij de agrarische natuurvereniging Wâld en Finnen. Zij houden het kleinschalige cultuurlandschap in stand. Terwijl ik geniet van het pad naar Burgum, schiet er plotseling een ree uit de dekking op zo’n 3 meter voor me. Ik schrik, mijn hartslag maakt een salto. Ik volg het stelsel van dijkjes en loop via de achterdeur Burgum binnen. Over de Nieuwstad koers ik af op de monumentale Kruiskerk, waarvan de eerste stenen zijn gelegd rond 1100.

In de veertiende eeuw stichtten de Reguliere Kanunniken, ook wel aangeduid als Augustijner Koorheren, het Bergklooster of Barraconvent. De romanogotische parochiekerk namen ze in gebruik als Abdijkerk. De onderste geledingen van de toren bestaan nog uit tufsteen en gaan dus al duizend jaar mee. Het ging de Koorheren in Burgum behoorlijk voor de wind. De monniken bemoeiden zich, naast hun religieuze taken, met waterstaatkundige zaken zoals inpoldering, bedijking en aanleg van sluizen en waterwegen. Ze stonden aan de basis van de Leppa, een verbond van gemeenten dat de strijd met het water aanbond. Een soort waterschapsverbond. Op 24 juli 1453 komen de abten van Claercamp, Dokkum, Burgum en Smalle Ee bij elkaar. In het gezelschap bevinden zich ook grietmannen en rechters. Zij spreken af wanneer in welke plaats jaarmarkten worden gehouden. Een monnik tekent de bevindingen op.  ‘Wij abten, praelaten, grietmannen...beloven bescherming op de weg van Dokkum en Claercamp naar Drachten. Dieven en rovers zullen aangepakt worden...’ Acht indrukwekkende zegels in was, bezegelden de overeenkomst tussen geestelijke en bestuurlijke leiders. Ten tijde van de eerste schermutselingen tussen protestantse opstandelingen en het katholieke Spaanse gezag, vertrokken de Koorheren uit het klooster. In 1580 lieten de Friese Provinciale Staten weten dat iedereen het klooster mocht afbreken. Toen belangstelling uitbleef, besloten de Staten bij resolutie op 6 november 1581 om het klooster af te branden ‘opdat de vijanden daarvan geen roofneste make’. Het Barraconvent bezat op de Tweebaksmarkt in Leeuwarden een statig abtshuis. In de tijd van de Reformatie trokken de Friese Staten daar in. Tot op de dag van vandaag, na vele verbouwingen, doet het ‘Statenhuys’ dienst als Provinciehuis. Er loopt een rechte lijn tussen het vroegere abtshuis van het Barraconvent en het huidige bestuurscentrum.

 

Terug