BONIFATIUS KLOOSTERPAD

OLDEBERKOOP NAAR BONTEBOK

 

In de middeleeuwen was de pelgrim een persoon op bedevaart. Doorgaans was de wandeling geen filosofische, sportieve of natuurminnende reis naar meer zelfkennis, vrijheid of reflectie, maar een vastomlijnde onderneming.

 

Het doel was de loutering van de ziel, het inlossen van een schuld of boetedoening bij een relict van een heilige of diens graf. De hedendaagse pelgrim werpt de ballast van de kerk, de verplichting, de sociale en institutionele mores juist van zich af. De pelgrimage is een hoogst persoonlijke, individuele bezigheid die de pelgrim in staat stelt de knellende banden van het bestaan in te ruilen voor vrijheid, geluk en zelfexpressie. In zijn boek ‘Wandelen – Een filosofische gids’ verkent hoogleraar filosofie Frédéric Gros de beweegredenen achter het wandelen. Hij ziet het als een filosofische daad en als een spirituele ervaring. Voor

grote denkers en kunstenaars als Arthur Rimbaud, Friedrich Nietzsche, Mahatma Ghandi en Immanuel Kant stond lopen gelijk aan ademen, het was een manier om gedachten te ontwikkelen of inspiratie op te doen. Monniken liepen onafgebroken van klooster naar klooster zonder zich ergens vast te vestigen, dat gold helemaal voor de bedelmonniken uit de

dertiende en veertiende eeuw. Een pelgrim was altijd op doorreis, of zoals een van de kerkvaders schreef; ‘Ons huis moeten  we  beschouwen  als  een onderkomen voor één nacht, onze goederen als bepakking die we kunnen afwerpen, en onze vrienden als mensen die we langs de weg zijn tegengekomen.’ Gros zegt daarover: ‘Tijdens een trektocht van een aantal dagen wordt het gevoel je los te maken sterker: je ontsnapt aan de moeilijkheden van het werk, je bevrijdt je van  het  keurslijf  van  je gewoontes.’ (...) ‘Om te vertragen is er nooit iets beters verzonnen dan wandelen. Om te wandelen heb je alleen maar twee benen nodig. De rest is onzin.’ Vrijheid is een hap brood, een slok koud water, een weids  landschap of een korte ontmoeting. Onthechting, al is het maar voor even, loskomen.

De erfenis van Bonifatius en de naklank  daarvan  in  het landschap heeft mij gebracht tot aan de ringmuur en poort van de Bonifatiuskerk in Oldeberkoop. Het is zonder twijfel een van de oudste kerken van Zuidoost-Fryslân, een natuurlijk middelpunt in  het  adellijke dorp. De oudste delen dateren van 1125. Een document uit 1553 rept van de Parochiekerk van de H.Vitus te Antiqua Bercoop in Stellingwerff. De hoge zandrug tussen natte, slecht toegankelijke met veenmoeras gevulde stroomdalen van Lende en Tsjonger, leende zich al in een vroeg stadium voor bewoning. Het oude dorp wordt in 1228 genoemd, als Friese strijders    in ‘Brokope’ bij elkaar komen om Drenthe in te trekken voor een strafexpeditie. Terwijl de klok van de Bonifatiuskerk uitnodigend beiert en gelovigen oproept voor de eredienst, loop ik langs de villa’s het dorp uit over Molenhoek. Door het park en het bungalowpark loop ik naar de Meulenreed en vervolgens een stuk parallel aan de Tsjonger naar de Tsjonger Dellen met uitkijktoren de Tsjongertoer en natuurgebied Katlijker Schar. Het is een van mijn favoriete natuurterreinen. De kans is groot om Schotse Hooglanders of damherten tussen de bomen of in het veld te treffen. Over de Katlijker heide en de Hoogeveenseweg bereik ik Bontebok.

 

Terug