BONIFATIUS KLOOSTERPAD

GARYP NAAR DRACHTEN

 

Het waren vrouwen met een missie. Vijf nonnen ontvluchtten het aanhoudende geweld in hun

woonplaats Hoorn en namen de wijk over de Zuiderzee naar Fryslân. Ze wilden goed doen,

nobele daden en zegenrijk werk verrichten.

 

Na omzwervingen op zoek naar een plaats om te wonen kwamen de Grauwe Begijnen, die de leefregel van Augustinus volgden, terecht in Garyp. Van de pastoor hoorden ze dat in Sigerswâld een vervallen kerkje stond in een ontvolkt en arm gebied. Ze besloten zich daar te vestigen en bouwden zich van riet en sparren een sober onderkomen. Het was de vliegende start van het vrouwenklooster Sinaï. Het waren duistere tijden. De veertiende  en vijftiende  eeuw stortten de Lage Landen in een chaotische burgeroorlog tussen elkaar naar het leven staande kongsies, die ook nog eens om de haverklap van samenstelling wisselden. In Noord- Holland, Zuid-Holland en Utrecht woedden de Hoekse en Kabeljauwse twisten, terwijl in de Friese landen tussen Vlie en Dollard, edelen, stedelingen en geestelijken elkaar naar het leven stonden in de strijd tussen Schieringers en Vetkopers. Tegen dit decor woonden in de stad Hoorn een aantal religieuze vrouwen bij elkaar. Zij hadden zich verplicht om zolang zij in de gemeenschap van gelijkgezinden leefden, celibatair te blijven en een sober en nederig bestaan na te streven. Als verzamelnaam voor de devote vrouwen ontstond de naam begijn. Anders dan bij andere vrouwelijke orden gingen zij vooral de straat op om armen en zieken te helpen. De begijnenbeweging is de enige orde in de monastieke geschiedenis, die gecreëerd is voor en door vrouwen, los van elke mannelijke orde. In het jaar van de inname van Hoorn door Kabeljauwse troepen gingen volgens kroniekschrijver Worp enkele ‘witte susters’ op zoek naar een schuilplaats. Het oorlogsgeweld beu, namen ze in 1482 met weinig meer dan de kleren die ze droegen de wijk naar Fryslân.

Sigerswâld leek hun een goede plek om een nieuw bestaan op te bouwen. Worp: ‘Tegen de muuren maakten de gemeide zusters een kerkje van sparren en riet, daar ze dan voor het eerst onder dak waren. Verscheidene vroome luiden, door ‘t goede leeven en de strengheid van die Zusters getroffen, beweezen haar hunne mildadigheit, zoodat de Zusters de handen nu ruimer hebbende, de kerk begosten schoon te maken en het dak op te timmeren. En nadat ze toestemming van het gansche land en die van de Utrechtse Bisscop David van Bourgonje bekomen hadden, hebben ze een klooster begonnen te bouwen.’ In 1547 bestond het klooster uit een kerk, een ‘bouwhuys’ en een ‘spinhuys’. In 1581 ging op last van de Friese stadhouder, Graaf de Merode, de brand in de gebouwen om te voorkomen dat de Spanjaarden ze als uitvalsbasis zouden gebruiken voor plundertochten. De laatste gewezen non die een toelage kreeg van de Provinciale Staten overleed in 1637. Sigerswâld lag net als Garyp op een zandkop in het veen. Een bewoner die net op de voor zijn huis geparkeerde trekker wil stappen, wijst naar de boerderij die achter zijn huis tegen de zandwinput aanligt. ‘Op de plek waar de jongveestal staat, komen nog wel eens botten aan het licht.’ Iets verderop passeer ik het Nonnepaed en de Zustervaart, namen die net als de Susterwei verderop bij De Tike herinneren aan de honderd jaar dat klooster Sinaï een stempel op de omgeving drukte. Over een boerenpad loop ik door de landerijen naar Oudega met de imposante uit de Twaalfde eeuw stammende Sint-Agathakerk. Door de Jan Durkspolder, een natuurgebied van It Fryske Gea, bereik ik Wide Ie en De Veenhoop. In het moerasgebied hoor ik rietzangers en in de graslanden kieviten en grutto’s, terwijl scherp afgetekend tegen  het zwerk een kiekendief patrouilleert. Een koekoek zingt zijn eigen echo.

 

Terug