BONIFATIUS KLOOSTERPAD

DOKKUM ZUID

 

Het is al gezegd: Dokkum is in Noord-Nederland een pelgrimsstad bij uitstek. Weinig plaatsen in Nederland kunnen zich erop beroemen dat er een heilige op bewonderenswaardige wijze aan zijn of haar eind is gekomen. Spoedig na de martelaarsdood van Bonifatius kwam de eerste pelgrimage op gang. Relikwieën zoals een schedelfragment, een gouden kelk, ivoren staf en kazuifel, toegedicht aan de aartsbisschop, speelden in de heiligenverering een belangrijke rol. De protestantse Reformatie van 1580 maakte abrupt een einde aan de Bonifatiusprocessies en pelgrimages in de binnenstad. Eind 19e en begin 20ste eeuw beleefde de Rooms-Katholieke kerk een revival in het noorden. De totstandkoming van het

Processiepark en de Bonifatiuskapel als nieuw bedevaartsoord speelden daarbij een cruciale rol. In 1926 werd het Processiepark ingericht, waar in 1934 een kapel ter ere van Bonifatius gestalte kreeg. Het park kent kronkelende wandelpaden met ruw gemetselde kapelletjes gebouwd van kloosterstenen van afgebroken kloosters in de vorm van veertien

kruiswegstaties. In 1962 werd bij de bron voor de kapel een beeld van Bonifatius geplaatst die zich tegen de zwaardhouwen van zijn belagers verweert met een hoog geheven boek boven zijn hoofd. Op de sokkel de tekst: ‘Hier werd Bonifatius het levenslicht ontnomen, 754, hier ging voor Friesland het licht van het evangelie op.’ De kapel staat heel bewust bij een andere zoetwaterbron, die aan de heilige wordt toegedicht. In 1990 speelde zich hier een opmerkelijke gebeurtenis af. Een echtpaar uit Sneek met een jong kind dat last had van een hardnekkige kinkhoest, bezocht de kapel. In een opwelling besloot de vader het kind in het bronwater te dompelen. Een dag later was het kind de hoest kwijt. Middeleeuwse legendes over het wonder van de bron in Dokkum kregen een tweede leven. Een stroom van genezingzoekers en toeristen kwam op gang.

Over slaperdijken loop ik Dokkum uit in zuidelijke richting. Aan de horizon zie ik het coulissenlandschap van de Friese Wouden oprijzen. Lanen met singels rijgen zich aaneen, tussen de bomen fladderen vlinders voorbij. Wat opvalt is dat veel boeren in de streek deelnemen aan het agrarisch natuurbeheer van het collectief Noardlike Fryske Wâlden. Langs het landhuis Rinsma State loop ik naar Damwâld en de Sint-Benedictus kerk. Een kleinood dat de pelgrimage vanuit Dokkum naar Claercamp extra betekenis geeft. De kerk speelde een belangrijke rol als verbindende schakel in het door Peter Karstkarel herontdekt Kloosterpad dat in 1453 in een officiële oorkonde genoemd werd. De tekst regelde het houden van jaarmarkten, het onderhoud aan wegen en vaarten en de berechting van misdadigers die reizigers beroofden of zelfs naar het leven stonden. De overeenkomst richtte zich specifiek op de handels- en pelgrimsroute tussen het klooster bij Smalle Ee en Claercamp bij Rinsumageast en de kloosters in Burgum (Barraconvent) en Dokkum. Delen van deze middeleeuwse handelsweg zijn opgenomen in het Bonifatius Kloosterpad. Door het Geastmer Bosk bereik ik Rinsumageast dat op een kwelderrug ligt. Claercamp is nu niet ver meer. Over de Trekwei loop ik naar de kloosterkapel van Sibrandahûs. Het door bomen omzoomde romaanse kerkje biedt ook een refugio (overnachting) voor pelgrims. De laagte van de Claercamper Mar ontstond toen de kloosterlingen naar klei groeven voor bakstenen. Ook legden ze in het kweldergebied de eerste bescheiden dijken aan, groeven watergangen en bouwden een zeesluis in de Dokkumer Ie ter hoogte van het klooster. Het gebied waar vroeger een metershoge kloosterterp verrees, is nu archeologisch beschermd en ingericht als natuurgebied. Weidevogels laten zich horen. Aan de weg ligt het kloostermuseum dat als archeologisch steunpunt het verhaal van Claercamp in beeld en tekst vertelt. In het woonhuis is een B&B ingericht. De licht bollende verhogingen in het land en overgebleven grachtsloten verraden dat hier ooit een machtig bouwwerk stond. Claercamp of ‘clarus campus’, wat zoveel betekent als ‘helder, schitterend veld’, is in 1165 gesticht door abt Eyso en twaalf monniken. Op het hoogtepunt bezat het klooster 2500 hectare grond in Noordoost-Fryslân en zo’n tachtig boerderijen. Bij de Reformatie in 1580 werd het kloostercomplex op de terp grondig gesloopt, de stenen ‘kloostermoppen’ elders hergebruikt. In de Cisterciënzer lijfspreuk ‘terrar dum prosim’ van Claercamp siert de enorme zwerfkei aan de Birdaarderweg bij het kloostermuseum: ‘Ik moge verteren als ik maar nuttig ben’. Over de brug in de Dokkumer Ie bereik ik het meanderende jaagpad dat mij in een uur terugbrengt naar de kloosterkapel van Bonifatius in Dokkum.

 

Terug