BONIFATIUS KLOOSTERPAD

Een land van grensgangers en wijkplaats voor natuur

 

Het is een onderdompeling in een fascinerende wereld. Anjum is de hoofdplaats in een uithoek van Fryslân waar eigenzinnige Friezen en zeldzame vogels van diverse pluimage de dienst uitmaken. Dit stukje aarde was eeuwenlang de inzet van strijd tegen de bedreigingen van de zee en had gelijktijdig een grote aantrekkingskracht vanwege de vruchtbaarheid van de grond.

 

Het is een door mensenhand gecomponeerd landschap waarin de laatste jaren naast de landbouw ook de natuur weer zeggenschap krijgt. Voor wandelaars een ideale biotoop. Een fletse zon schijnt door de nevel. Het licht valt gefilterd op de eenbeukige aan Sint-Michaël gewijde kerk die hoog boven de lage dorpsbebouwing van Anjum uitsteekt als een baken voor de reiziger. Al bijna duizend jaar fungeert deze kerk als middelpunt in het gemeenschapsleven. De kerk staat op het hoogste punt van de terp en kwelderrug waaraan Anjum haar ontstaan dankt. In de eeuwen dat het kwelderland nog blootstond aan de invloed van getijden en stormvloeden, bood de kunstmatige hoogte enige bescherming tegen de zee. Vanaf de hoogte heb ik mooi zicht op de weilanden en akkers die Anjum omringen. Honderden ganzen doen zich tegoed aan het gras. In de verte tegen een door dijken getekende horizon liggen bij Paesens en het oude vissersdorp Moddergat de kwelders van de Peazemerlannen, een fantastisch doorkijkje naar een wereld zoals die erbij lag toen de eerste Friezen zich in het kwelderland vestigden. Over dit kustland schreef de Romein Plinius de Oudere: "Tweemaal daags stort de oceaan hier zijn wateren uit zodat men aarzelt dit gebied tot de zee dan wel tot het land te rekenen." Als ik bij Paesens de dijk oversteek, maakt mijn hart een jubelsprong. De frisse tinten groen, de rode pannendaken van boerenschuren en samengeklonterde huizen op terpen onder een azuurblauwe lucht, stemmen vrolijk. Bij de tocht naar de dorpel van Fryslân, waar de zee dagelijks op het land klopt, begin ik spontaan te neuriën. Door de buitendijkse zilte parel loop ik naar Oostmahorn, een dorp dat in de late middeleeuwen veel last had van kapervaart en daarom een schans ter verdediging kreeg, en vervolgens terug naar Anjum. Wie zegt dat het Friese land vlak en leeg is, vergist zich mateloos. Je ziet het pas als je er doorheen loopt.

 

Terug